Inleiding
Ik staar naar buiten terwijl de aria van Bozza door de ruimte klinkt. De herfstvermoeidheid heeft niet alleen mij te pakken. Ook buiten kleurt somberheid asfalt en tuinen met gevallen bladeren, wind en regen. Mijn oog valt op een geelachtig onkruidbloempje dat, gedragen door een mager stengelskelet, triestig meewaait met de wind. Haar gele kopje bukt naar de grond omdat ze voortdurend wordt aangetikt door vette druppels. Een mistroostig beeld. Toch verschijnt ongewild een glimlach op mijn gezicht. Deze droeve schoonheid, gedragen door de klanken van de aria, raakt me diep.
Het is de herfst die, met haar eigen verfpatronen, de winterse doodsheid aankondigt.
Het is de herinnering dat, al wie verwonderd en bewonderend naar het kleinste leven kijkt…
Dat al wie het kleinste leven innig graag kan zien, een onbesproken pact tekent met vergaan, verlies en verdriet.
De deal is heel eenvoudig:
Wie lief heeft, zal rouw kennen.
Wie rouw kent, kent de diepte van de liefde.
De liefde die een mens kan overmannen.
De rouw die onbeheersbaar toeslaat.
De dood die, met haar onbegrijpelijkheid van verlies, op gemene wijze het onbevattelijke aansnijdt in een mensenziel. Een onredelijkheid die een mens kan drijven tot het waanidee om aan datzelfde verlies opnieuw zin te geven.
Waanzin.
Deze onzinnigheid doet ons wanhopig grijpen naar houvast in de onmetelijkheid van onze verbeelding. De verbeelding, als product van eigen gebrouwen ideeën, die ons toelaat het dodenrijk te betreden en geliefden terug te halen naar het hier en nu.
Geesten die we, uit de dood, opnieuw laten spreken en herleven in herwonnen talen en gedaanten. We zien ze opnieuw in de complexe schoonheid van de natuur of horen ze in gekwetter van vogels. We voelen ze in de glinstering van water bij zomertijd of proeven hun nabijheid in onze dromen.
En met dat herleven, hoe waanzinnig ook, bieden de geesten des doods opnieuw troost.
Zij helpen ons, de levenden. Gidsen ons. Spreken ons moed in om door te gaan.
Bieden troost of fluisteren over hoop.
De aria laat haar laatste klank vallen in het repetitielokaal.
De pianist heft zijn handen van het klavier.
De saxofonist krijgt hoorbaar zijn adem terug.
Ik blijf nog heel even naar buiten kijken en knipoog dankbaar naar het gelig onkruidbloempje dat nog steeds eenzaam blijft standhouden tegen regen en wind.
Dat kleinnood, gedragen door de wondermooie klanken van de muziek, deed me voelbaar beseffen hoe onbetaalbaar de onverhoedse pogingen van kunstenaars zijn en zijn geweest.
Hun wil en wens om de onredelijkheid van het pact om te zetten tot schoonheid.
Hun wil en wens om het pijnlijk bewustzijn van de onlosmakelijkheid tussen leven en dood, te destilleren tot troost.
Hun wil en wens om het ongeziene opnieuw te laten zien in de levenskracht van hun klanken, woorden of verbeelding.
- Ingeborg Vandenbroucke
Met dank aan een heel klein geel bloempje
Brief voor een moeder
Liefste moederken
Ik denk vaak aan jouw ogen.
Hoe ze vroeger zongen van zin en geluk.
Levendige ogen als twee donkerbruine jaspisstenen.
En slim. En groot.
Jouw ogen waren slim en groot, net zoals die van jouw moeder.
Toch zal ik nooit meer vergeten hoe die ogen in het ijle keken
toen je net het overlijden van jouw zoon vernam.
Hij lag een paar kamers verder onder een wit laken.
Een paar kamers verder van de witte stoel waarop je al enige tijd aan het wachten was terwijl medische zielen urenlang probeerden om leven te krijgen in een lichaam waarvan de schedel aanvoelde als glas in een jutte zak.
Je keek, zoekend naar betekenis of ommezwaai. Jouw ogen hadden zoveel werk dat ze jouw oren hadden verdoofd. In die mate dat je het geschreeuw van jouw dochters nauwelijks kon horen toen ook zij het nieuws vernamen.
Het leek alsof de horizontale lijn op de hartmonitor van broer door jouw oren suisde en de iris in twee sneed.
De lijn van voor en na.
De lijn van geboorte en sterven.
De schijnbaar onbreekbare lijn tussen ouder en kind.
In de jaren die zouden volgen had jij besloten om te zweven aan die onzichtbare lijn. Om te schommelen, bijna hypnotiserend, tussen het hemelshoge en bitterharde.
Nu heeft het lot voor jou een keuze gemaakt.
Het is hierboven geworden.
Het Walhalla, de zaal voor de gevallenen.
In de ogen van mijn zus, in mijn donkerbruine ogen hangt nu die ademschommel.
En ik verzeng moeder.
Ik verdrink bij het lezen van deze verzen want ik begrijp:
Bij afstand doen en scheiden, doet niet het snijden zo'n pijn, maar het afgesneden zijn.[1]
Liefs,
jouw dochter
- Ingeborg Vandenbroucke
Brief voor een dochter
Liefste kind
Samen met jouw broer lees ik jouw wondere woorden in de lijn van het eindeloze.
Ik lees en blijf steken bij 1 woord.
Verzengen.
Hemelsmooi klinkt het woord naast liefde. Angstaanjagend bij pijn.
Ik smeek je.
Jij mag niet verzengen kind.
Jij mag niet verdrinken.
Blijf in dromen hangen zoals aan de lijn in mijn ogen.
Blijf mij voelen in de nerven van jouw handen.
Ik blijf zweven langs jouw wangen.
Jij mag niet verzengen, mijn kind. Jij mag niet verdrinken in verdriet.
Blijf lachen. Zo hard opdat jouw rimpels onze donkerbruine stenen dankbaar kunnen dragen.
Door jou, door mijn kinderen, ken ik de grenzeloosheid van liefde.
Liefde zonder streep of lijn.
Liefde
een stippellijn.
Blijf mij schrijven
Blijf wondere woorden wekken.
Blijf wonderen mijn kind.
Wonderen
daar moet je voor staan want daar komen wij allemaal vandaan.
Zo zullen ook jouw kinderen bestaan en gaan.
In en uit een wonder.
Een wonder vol ondraaglijk mooie liefde
en hartverwarmend lijden.
En kind, als jouw tijd is gekomen
en je bent klaar voor de laatste reis
Dan sta ik daar aan de oever en zullen we elkaar opnieuw vergezellen in het hemels paradijs.
- Ingeborg Vandenbroucke
Brief op een vliegertje
Mijn liefste
In de gleuf van mijn boekenkast prijkt de zin van Kahlil Gibran:
"Droefheid is slechts een muur tussen twee tuinen".
Verdriet is dus gewoon een muur tussen twee tuinen?
Hoe vaak heb ik niet gedacht dat er in die muur een deur zou zitten. Dan zouden we,
doorheen het verdriet, bij de ander kunnen komen.
Of misschien is de muur net niet hoog genoeg. Dan konden we papieren vliegertjes met berichten van de ene naar de andere tuin laten zweven.
Verdriet is dus gewoon een muur.
Een lijn.
Misschien niet echt dik.
Misschien niet echt hoog.
Maar sowieso een gemaakt van stevig materiaal.
Een waar je tegenop kan kijken.
Gelukkig heb jij me leren kijken naar boven.
Dus, mijn liefste,
als jij ook naar boven kijkt
Dan vinden onze blikken elkaar
heel misschien terug
Zo net boven een betonnen lijn
Maar zwevend in het hemelruim
tussen heel veel andere troostende blikken.
- Ingeborg Vandenbroucke
Brief voor de denker
Grond. Niets meer.
Grond. Niets minder.
En dat moet genoeg voor je zijn.
Want op de grond steunen je voeten,
Op je voeten het rechte bovenlijf,
Op je bovenlijf het vastberaden hoofd,
En daar, onder de hoede van het voorhoofd,
De pure idee en op de pure idee
De dag van morgen, de sleutel
-morgen-- van het eeuwige.
Grond. Niets meer of minder.
En dat moet genoeg voor je zijn?
- Pedro Salinas
Brief voor de dichter
Beste heer Salinas,
Ik las meermaals jouw bericht. Gedicht. En. Heb er lang over nagedacht
Misschien niet zo gegrond, toch volgt een antwoord:
Geloof niets meer, niets minder
Daar moet nood aan zijn.
Want onder de grond steunen geen voeten
niet langer een lijf
ook geen vastberaden hoofd
wat rest
onder de hoede van een aardedonker schedeldak
is gisteren
verzwolgen door het eeuwige,
vereeuwigd door de magie van de herinnering
Zo schuilt gisteren opnieuw in het geloof van morgen
Geloof. Niets meer, niets minder
Daar moet een beetje meer nood aan zijn. Want zonder geloof sterft de magie en
met haar ook heel wat liefde.
Groet, de denker
- Ingeborg Vandenbroucke
Brief met een wiegelied
Wij lezen over moeders van dichtbij.
Horen over moeders ver van hier.
Over een moeder die op zoek gaat in oorlogspuin naar de laatste resten van haar kind. Hoe ze elk beetje zorgvuldig opraapt, wegstopt in een oude broodzak en onder de arm bewaart als een klomp goud.
Over een huilende moeder die met haar lichaam dat van haar kind bedekt. Alsof ze zich hiermee wil ontdoen van de harde waarheid. Die van het kogelgat, zijn pijn en haar verdriet.
Over een moeder die zichzelf elke avond in slaap wiegt omdat haar baby bij geboorte is ontnomen.
Wij lezen over nog meer moeders en kinderen.
Wij horen over zoveel gemis en verdriet.
Een dichter nam haar pen en schreef een brief.
Een brief voor moeders. Een wiegelied. [2]
De moeder baart het kind
Het kind baart haar zorgen
de baren van weeën
rimpelen door de jaren
Zo is het leven, zij kan
het best dragen maar
een kind moeten opbaren
moeten opbaren het hare
Soms kunnen we niets anders dan dit
(wiegelied voor lege armen) nodeloos herhalen en een verte zoeken om samen met haar wezenloos te staren.
- Maud Vanhauwaert
Uit: De stad in mij
Brief voor het graf
Ja, ik schreeuw nog altijd
Alle lucht uit mijn lijf.
Nog altijd hoor je mij niet meer.
Al blijven je grote ogen de hemel aanvragen.
Traag sluit ik ze
en voor altijd bevriest het blauw van de wereld.
Ooit zag ik een vrouw met een bezem van twijfen de Namibwoestijn vegen.
Ze duldde geen takjes of oneffen zandkorrels op het graf van haar man.
Zo moet dat, denk ik nu,
en met een zilveren kammetje vergeef ik elk sprietje gras.
- Daniel Billiet
Uit: Alles gaat voorbij maar niets gaat over
Brief voor het einde
A Op een dag, midden in een bos, tussen varens en brandnetels,
achter een volle eik, zagen wij een bord liggen op de grond.
Op het bord stond, EINDE.
Zij vroeg
B 'Zou dit hier dan het einde zijn? En zoja, waarvan dan?'
Hij zei
A 'Van alles'
B Toen zagen we dat er een boterbloem bloeide achter het bord.
Hij zei
A 'Dat daar is de allerlaatste boterbloem'.
B Maar achter de boterbloem stond nog een verlepte distel en
daarachter een klaproos die aan het verwelken was en bijna omviel.
Hij zei
A 'allemaal de laatste. (kuchte) Net als wij.'
zij zei
B 'Ik krijg het koud. Ik wil graag doorlopen.'
Hij zei
A 'dat is goed.'
B Toen kwam de zon tussen de wolken door en liepen we verder.
A De rivier zagen we al van verre glinsteren.
B Toen zei hij
A 'in feite was het maar een bord.'
En daar gingen we zitten in het gras onder een wilg.
Zij zei
B 'Ja. Het echte einde was daar niet.'
A 'Nee. Dat is nergens.'
Toen zwegen we en keken naar de rivier.
Het echte einde is nergens.
- Toon Tellegen
Uit: Als we samen
(bewerking: I.Vandenbroucke)
